Het verhaal van de dappere wetenschapper

Er was eens een dappere wetenschapper die trede voor trede de lange wenteltrap afdaalde uit zijn ivoren toren. Onder zijn arm had hij een onderzoeksrapport waar hij lang aan had gewerkt. Het onderzoek had hij snel afgerond, maar het opschrijven van de betekenis van zijn resultaten kostte hem veel tijd en moeite. De andere torenbewoners maakten hem voor gek uit, maar hij liet zich niet tegenhouden. Krakend opende hij de deur van de ivoren toren en stapte hij de frisse buitenlucht in.

Hij begaf zich op ongebaande paden, maar ging vol vertrouwen op zoek naar de beleidsmakers die zijn land bestuurden. Hij was nog niet lang onderweg toen hij er door één voorbij werd gerend. De wetenschapper realiseerde zich dat de beleidsmaker haast had en hij snel moest handelen. Hij wilde zich omkeren, maar hij kon de beleidsmaker niet bijhouden. Erachteraan rennen zou tevergeefs zijn.

De tweede beleidsmaker die hij tegenkwam wilde wel vijf minuten tijd nemen. Totaal onverwachts werd de wetenschapper de laan uitgestuurd. “Wie denk je wel niet dat je bent met je bevindingen?” De beleidsmaker trok woedend het rapport uit zijn handen en scheurde het doormidden.

Radeloos en verloren keerde de wetenschapper terug naar zijn toren. Zijn hoofd was gebogen naar de grond. Plots struikelde hij. Het was een beleidsmaker die in het gras lag uit te rusten. De beleidsmaker bleef rustig liggen en vroeg de wetenschapper wat hem bezighield. De wetenschapper vertelde zijn verhaal. “Wat stond er dan in dat rapport?”, vroeg de beleidsmaker nieuwsgierig. De wetenschapper legde kort uit waar zijn onderzoek over ging.

Toen ze afscheid namen was de wetenschapper verbaasd dat hij zijn resultaten in zo’n korte tijd kon uitleggen. Hij realiseerde zich dat hij zijn tijd beter kon besteden aan verhalen vertellen dan aan rapporten schrijven. De beleidsmaker vervolgde zijn eigen weg. Hij moest zich verantwoorden bij zijn opdrachtgever en legde uit wat hij onderweg had gehoord. Hij kreeg complimenten van zijn baas voor de waardevolle informatie. Zowel de wetenschapper als de beleidsmaker besloten vaker naar buiten te gaan en ze leefden nog lang en gelukkig.

 

Advertenties

Nationale Boomplantdag

Een certificaat verpakt in een boomblad. Ik heb van mijn vriend een boom gekregen om de Veluwe te versterken. En natuurlijk om samen met hem symbolisch onze liefde te planten. Op zaterdagochtend rijden we naar de Ramenberg bij Loenen. Stapvoets worden we door de parkeerwachters over de metalen platen geloodst. Als we het speciaal aangelegde parkeerterrein oprijden, zien we honderden auto’s voor ons opdoemen. Als we uitstappen horen we harde muziek en ruiken we patat. Daar staan we dan in onze laarzen en outdoorjacks.

In de verte zien we een stoet van mensen met een boompje richting de bosrand lopen. Wellicht dat we daar dan toch nog in stilte onze symbolische boom kunnen planten? Maar zelf een plekje uitzoeken blijkt niet mogelijk. We lopen door het pretpark heen en volgen de aangegeven route. Die gaat van bomen uitdeelpunt naar boswachter één, van wie we een schop krijgen. Dan naar het gatenveld waar boswachter twee ons instructies geeft. Er is zelfs een derde boswachter die mijn boom voor mij wil planten. Geïrriteerd trek ik de boom terug uit zijn handen. Met liefde gooi ik aarde in het kant-en-klare gat. “Een boom planten tijdens de Nationale Boomplantdag is niet echt romantisch, maar versterkt wél de Veluwe”, denk ik bij mezelf.

 

 

Oproep: man, (v)erken jezelf!

Het is crisis in mannenland. Mannen plegen vaker zelfmoord, hebben vaker (psychiatrische) ziekten en zijn vaker crimineel dan vrouwen. Reden voor Tim Samuels, auteur van het boek Who Stole My Spear? How To Be a Man in the 21st Century, om code oranje in te stellen. Ook Rob Hoogland (Telegraaf) en Arthur van Amerongen (Volkskrant) zullen in 2017 maatregelen treffen door samen Het Grote Foute Jongensboek te schrijven.

Het dreigende gevaar is niet goed gereguleerde mannelijkheid. Een sterke kracht die destructief wordt als je hem niet goed reguleert. Mannelijke krachten reguleren blijkt moeilijk te zijn in onze samenleving. Mannelijke lichamen zitten achter de pc, in plaats van achter wild aan. Vrouwen nemen mannenwerk over, waardoor werkloze mannen status verliezen en zich onzeker voelen.

Het werkende leven is sowieso een proces van ontmannelijking, zegt Tim Samuels. De baas, en niet de man zelf, bepaalt tegenwoordig wat hij doet, verdient en voelt. Mannen willen vrijheid, rond rennen en doen wat in hem opkomt. Als dat niet kan wordt de man boos, woedend zelfs. Met desastreuze gevolgen voor de maatschappij.

De oplossing? Mannen moeten hun mannelijkheid bestuderen. En daarmee bedoel ik niet dat ze na de voetbalwedstrijd een liniaal mee moeten nemen de kleedkamer in. Volgens Tim Samuels hebben vrouwen ondertussen volop verkent wat het betekent om vrouw te zijn, maar mannen nog niet. Het wordt tijd. Ik roep alle mannen op: verken je mannelijkheid!

Column: Levenslang leren

Vandaag geef ik, doctor in spe, een workshop aan collega promovendi over het onderwerp van mijn proefschrift: werk-privé balans. Als alle deelnemers binnen zijn sluit ik de deur. Ik geef ze een vel papier en zet ze aan het werk met een simpele invuloefening voor beginners. Wie ben ik? Wat wil ik? Wat kan ik? Ze hoeven de tabel alleen maar in te vullen. Aan het einde van de workshop gaan ze naar huis met een kant en klaar, stressbestendig levensplan.

Als werk-privé balans expert ben ik niet te beroerd om mijn kennis te delen. In een ochtend vat ik honderden boeken en artikelen samen. Nog belangrijker zijn misschien wel mijn eigen levenslessen die ik als 29-jarige wijze vrouw heb verzameld. Die mag ik de wereld niet onthouden voordat ik sterf.

De afgelopen vier jaar heb ik mijn privé leven gegeven voor de wetenschap. Perfectionistisch als ik ben, heb ik zelfs een levensecht experiment opgezet om te ervaren wat stress met de mens kan doen. Vier jaar geleden ben ik na mijn afstuderen verhuisd naar een nieuwe stad, begonnen aan een nieuwe baan en een nieuwe relatie. Zonder training gaf ik les aan studenten in vakken die ik zelf nooit had gevolgd. Ik rommelde wat met didactisch verantwoorde oefeningen en deed m’n ding.

Aan artikelen lezen voor mijn promotie onderzoek kwam ik dat eerste jaar niet echt toe, maar empirisch bewijs heb ik wel verzameld. Na een jaar werk boven privé stellen kwam ik eindelijk in het ziekenhuis terecht. Deze bijna-doctor had er een andere dokter voor nodig, maar ik leerde er drie belangrijke lessen. Op de Intensive Care afdeling duidde de hartslagmeter naast mijn bed een significant verband tussen stress en fysieke klachten. De weken erna bewezen dat mensen met burn-out dit in eerste instantie ontkennen. Ten slotte laten de lange termijn effecten zien dat je nooit te oud bent om te leren.

 

Bevroren tijd

Ik ben 29 en weet het nog niet. Ik heb een vriend met vaderschapsambities, een vast inkomen en ouders die staan te springen om op te passen. De omstandigheden zijn er naar, maar ik twijfel nog. Ik wil namelijk eerst mijn proefschrift afronden, een reis maken, een baan zoeken en een huis kopen. Pas als het nest klaar is ben ik er ook klaar voor. Denk ik.

Moeders zeggen: “Opeens weet je het”. Of ze hebben het altijd al geweten. Maar overtuigd en alleen moeder zijn is tegenwoordig een dappere keuze. Vrouwen willen eerst dit en dat. Totdat er niets meer te willen valt. Het aantal ongewenst kinderloze vrouwen én mannen neemt toe.

Een oplossing is een vruchtbaarheidsbehandeling. Vrouwen kunnen voortaan tot hun 50ste gebruik maken van eiceldonatie of hun eigen eicellen, mits ze die voor hun 43ste hebben laten invriezen. De leeftijdsgrens voor vruchtbaarheidsbehandeling gaat daarmee met vijf jaar omhoog.

Door eicellen in te vriezen kun je tijd kopen, is de gedachte. Het geeft vrouwen de mogelijkheid om ook op latere leeftijd nog hun kinderwens in vervulling te laten gaan. Het is inderdaad een geruststellende idee om het nog even niet te hoeven weten. Ik kan mijn eicellen, en daardoor ook andere levenskeuzes nog even in de koelkast zetten.

Maar koop ik daarmee tijd of juist nog meer twijfel? Ik verleng misschien de grenzen van mijn vruchtbare periode, maar niet de grenzen van mijn leven. Ik kan tijd uitstellen, maar niet verlengen. We kunnen over keuzes twijfelen, maar ze niet vermijden. Als ik later moeder wordt, ben ik minder lang oma. Wat vind ik belangrijker? Een carrière of  een gezin? Kwantiteit of kwaliteit? Ik denk er nog even over na.

De derde vraag

Hij komt meestal na “Wat doe je voor werk?” en “Waar woon je?”. Ik kan er geen eenduidig antwoord op formuleren. Ik ben ook bang voor de consequenties. Ik probeer de vragensteller altijd eerst te peilen. Is hij type stad of dorp? Noord of zuid? Local of wereldreiziger?

“Waar kom je vandaan?” is nooit echt goed te beantwoorden. “Uit de buik van mijn moeder”, zou een flauwe grappenmaker zeggen. Meestal is mijn antwoord op de vraag: “Ik ben geboren in Hellendoorn, maar toen ik anderhalf was verhuisd naar Best, vlakbij Eindhoven. In groep zeven verhuisde ik naar Vledder, in Drenthe. Toen heb ik vier jaar in Utrecht gestudeerd en nu woon ik alweer vijf jaar in Rotterdam.”

De consequenties van je afkomst uit stad of dorp moet je niet onderschatten. Toen ik in groep zeven zat, werd mijn moeder door De Boerin uit Drenthe op het matje geroepen. Wie dacht ze wel niet dat ze was om haar stadskind niet naar het slaapfeestje van haar boerendochter te laten gaan? Mijn moeder kon De Boerin er niet van overtuigen dat het mijn verlegenheid was, en niet mijn stadse afkomst, die ertoe leidde dat ik niet met twintig onbekende kinderen in een stal wilde slapen. Op de basisschool heb ik het als stadskind nooit meer goed kunnen praten.

Op de middelbare school in een middelgrote stad 15 kilometer verderop was ik plots het dorpskind. Te herkennen aan praktisch regenpak en rugtas stevig achterop de fiets gebonden, in plaats van laaghangend op mijn billen. Dat ik niet op een boerderij woonde en mijn kleding niet naar mest rook, gaf mij slechts een kleine sociale voorsprong op de andere dorpskinderen.

Toen de vraag mij laatst werd gesteld door een hippe homo op een feestje in Amsterdam, had ik meer succes. “Amsterdammers worden te perfect”, zei hij. “Eén grote stadsworst, doe mij maar wat dorpelingen erbij”. Voor de Amsterdammer is elke buitenstaander dorpeling, en vanavond was dat het goede antwoord. Toch blijf ik voorzichtig met het beantwoorden van de derde vraag. Het goede antwoord ligt altijd ergens in het midden.

De vakantiefietser

Ik klap mijn laptop dicht. Mijn tassen zijn gepakt. Ik verruil mijn leesbril voor een zonnebril. Mijn micro-vezel-string-zonder-zichtbare-randjes voor een zeemlap. Airco voor tegenwind. Ik word fietser. En niet zomaar een fietser: een vakantiefietser. Niet te verwarren met de dagtochtfietser, de mountainbiker en de mamil (middle aged man in lycra).

Met mijn identiteit als vakantiefietser ga ik vijf dagen gekleed in dezelfde outfit. Ik hoef mijn haar niet te wassen want dat verwaaid. Ik draag ik geen make-up, want die loopt uit. Ik leeg mijn neusgaten door eerst de linker, en daarna de rechterneusvleugel dicht te drukken en hard te snuiten. Ik vertoon geen sociaal gewenst of beschaafd gedrag; bij afstanden van 90 kilometer per dag stel ik andere prioriteiten.

Met mijn hoofd in de wind hoef ik als vakantiefietser niet na te denken. Ik denk niet aan thuis of aan mijn werk. Ik kan niet anders dan hier en nu zijn, bewegen, navigeren. Waar ben ik en waar ga ik naar toe? Ik maak me niet langer zorgen over het halen van deadlines. In plaats daarvan droom ik ’s nachts dat mijn trappers worden gestolen. Na drie dagen fietsen ben ik zo moe dat al mijn energie gaat naar het bewegen van mijn benen. Met moeite onthoud ik nog de drie volgende knooppunten.

Mijn fiets-vriend, in het dagelijks leven ook fiets-forens, zet elke ochtend de app Strava aan. Wel pas na vijf minuten warmtrappen, want die eerste meters tellen niet echt mee. Dankzij Strava weten wij, en al onze social fietsvrienden, precies hoeveel en hoe hard we fietsen. Als het gemiddelde van die dag lager is dan de dag ervoor zetten we toch een tandje bij. En voor mijn gevoel ik nog iets meer dan hij. Mijn fiets is hybride en heeft geen dunne race bandjes zoals hij. Het kliksysteem dat mijn schoen met de trapper verbindt is afgebroken op dag twee, waardoor ik alleen nog duw-, en geen trekkracht meer kan uitoefenen. Mijn bovenbenen zijn half zo gespierd als die van hem. Maar ook als vakantiefietser laat ik me niet kennen. Ik trap stug door.

Aan het einde van de vijfde dag kom ik weer op bekend terrein. Ik zet mijn fiets in de schuur en pak mijn tassen uit. Comfortabel vlij ik mijn billen op mijn bureaustoel en klap ik mijn laptop open. Een e-mail verwelkomt me terug in mijn comfortzone. Abrupt neem ik afscheid van de vakantiefietser.